Posts tonen met het label duurzame handel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label duurzame handel. Alle posts tonen

donderdag 12 maart 2015

Gender in de projecten van het Trade for Development Centre


Het Trade for Development Centre (TDC) ziet eerlijke en duurzame handel als hefbomen in de strijd tegen armoede en ongelijkheid.

We financierden drie concrete projecten die vrouwelijke producenten toelieten een eigen inkomen te vergaren en zo hun levensomstandigheden te verbeteren.

Lees hier het verhaal van de Peruviaanse weefsters op de altiplano, de Congolese koffieboerinnen aan de oevers van het Kivumeer en de vrouwen van de Marokkaanse arganoliecoöperaties.

> Lees het volledige artikel

dinsdag 27 mei 2014

Fairphone neemt bestelling voor een tweede lichting van 35.000 Fairphones in productie

Fairphone, de in Amsterdam gevestigde social enterprise, produceert tweede lichting Fairphones voor het financieren van initiatieven op het gebied van eerlijke sourcing en productie.
 
Op 21 mei opent Fairphone de deuren van haar vernieuwde online shop voor het grote publiek en accepteert orders voor de tweede lichting van 35.000 smarthones. Fairphones zijn Android smartphones die sociale waarden en principes van open design gebruiken om eerlijke sourcing en productie te beïnvloeden. Door de telefoons vooraf te betalen helpen de kopers mee aan de financiering van de productie van de telefoon zelf. Hierdoor blijft de sociale onderneming onafhankelijk en investeert het in nieuwe en lopende initiatieven voor een rechtvaardiger economie.
 

35.000 telefoons geproduceerd; 6.150 reeds verkocht
 
© FairphoneFairphone begon als een campagne van Waag Society om het bewustzijn van de consument over conflictmineralen in mobiele telefoons te verhogen. De campagne ging een eigen leven leiden en in 2013 werd Fairphone een onafhankelijke social enterprise. De beste manier om de componenten, sourcing en processen noodzakelijk voor het produceren van de mobiele telefoon echt te begrijpen (en verandering te beïnvloeden) is om deel te worden van de industrie en een nieuwe smartphone te creëren, aldus de organisatie.
 
In mei 2013 lanceerde Fairphone een crowdfunding campagne om de productie van de eerste Fairphones te financieren. De eerste batch van 25.000 telefoons was binnen 6 maanden uitverkocht en sindsdien hebben leden van de enthousiaste Fairphone community hun interesse in een Fairphone uitgesproken. Om in te schatten hoeveel mensen daadwerkelijk een telefoon wilden kopen, creëerde Fairphone een lijst ‘tweede batch’ kopers waarvoor men zich online kon registreren. Eind vorige week was deze lijst uitgegroeid tot meer dan 50.000 geïnteresseerde kopers.
 
In april 2014 bevestigde Fairphone haar voornemen om nog 35.000 Fairphones te produceren. De tweede lading Fairphone is bijna identiek aan die van vorig jaar. Om de Fairphone community de gelegenheid te bieden deze telefoon exclusief te bestellen voor de shop opende voor het grote publiek, ontvingen de leden van de lijst ‘tweede batch’ kopers twee dagen geleden een e-mail met een speciale link naar de online shop. Tegen de tijd dat de online shop publiekelijk werd gelanceerd op de Fairphone website (vandaag), waren er reeds 6.150 Fairphones verkocht.
 
De tweede lading Fairphones zal in productie gaan halverwege juni tot en met augustus. De telefoons zullen in batches geleverd worden vanaf juli tot naar verwachting eind september.
 

Financiering van nieuwe en lopende initiatieven voor een eerlijke economie
 
Wanneer kopers een Fairphone bestellen helpen zij mee aan het vooraf betalen van de productiekosten van de telefoons. De financiële middelen die zijn binnengekomen met de verkoop van zowel de vorige batch als de huidige batch Fairphones worden gebruikt voor het financieren van de productie van de telefoons en het ondersteunen van lopende initiatieven om het productieproces als geheel open te stellen en positief te beïnvloeden. Momenteel werkt Fairphone samen met het Conflict-Free Tin Initiative en Solutions for Hope om conflictvrije en traceerbare mineralen uit de Democratische Republiek Congo (DRC) te halen. Fairphone werkt ook samen met Nederlandse initiatief Closing the Loop om e-waste terug te winnen uit Ghana, het naar België te verschepen en daar veilig te recyclen. Op de productievestiging in China is Fairphone bezig met de oprichting van een welzijnsfonds voor werknemers, ter verbetering van de arbeidsomstandigheden en vertegenwoordiging. Fairphone zal zowel deze projecten blijven ondersteunen als investeren in nieuwe interventies die geïntegreerd worden in de volgende generatie Fairphone, te lanceren in 2015.
 

Uitbreiding markt eerlijk geproduceerde elektronica
 
Fairphone’s ultieme doel is om een gevestigde telefoonfabrikant te worden. Het doel van Fairphone is de productieprocessen toegankelijk te maken en de discussie over wat 'eerlijk' betekent te stimuleren. Door de verkoop van Fairphones stimuleert de organisatie de markt voor eerlijke elektronica. Zij hoopt hiermee de gehele industrie te motiveren hun manier van zaken te heroverwegen en te kiezen voor een nieuwe aanpak.
 
Bron: Fairphone
 

maandag 10 februari 2014

Zeg het met bloemen: over ethiek en duurzaamheid in de bloemenketen

In 2007 riep de Britse minister van Internationale Samenwerking Hilary Benn consumenten op om Nederlandse bloemen geteeld in serres links te laten liggen en Keniaanse rozen te kopen. Zijn argumenten: beter voor het milieu en goed voor de werkgelegenheid en de ontwikkelingskansen van het land. Maar klopt dat wel? Hoe duurzaam zijn geteelde bloemen uit het Zuiden en hoe kwalitatief zijn de werkomstandigheden? En waar staat fair trade in dit verhaal?


Delokalisatie


“Nederland bloemenland”, het is een uitspraak die nog maar gedeeltelijk klopt. Twee derde van de Europese handel in sierteeltgewassen verloopt nog steeds via Nederlandse bloemenveilingen, goed voor een omzet die in de miljarden loopt. Maar de bloemen zelf komen sinds de jaren 90 steeds vaker uit Oost-Afrika. Zo importeerden onze noorderburen in 2010 drie miljard rozen uit Kenia, grotendeels bestemd voor export naar de rest van Europa.
Landen in de buurt van de evenaar hebben sterke troeven in handen voor de teelt van snijbloemen: twaalf uur zonlicht per dag, genoeg regen en ideale temperaturen. Tel daar de lage arbeidskost en de beschikbaarheid van moderne transportmiddelen bij en je begrijpt waarom het economisch winstgevend is om vandaag bloemen te laten plukken op een Keniaanse flower farm en ze overmorgen te verkopen in een bloemenwinkel 7.000 km daarvandaan.


Koploper Kenia

Hilary Benn heeft alleszins een punt als je kijkt hoe belangrijk de bloemenindustrie is geworden voor de Oost-Afrikaanse economieën. Jarenlang kende de sector in Kenia een groei van 20%. Vandaag maken bloemen meer dan 10% uit van de totale export, goed voor een tweede plaats na koploper thee. Tienduizenden jonge vrouwen zijn werkzaam op bloemenplantages, honderdduizenden zijn indirect afhankelijk van de sector. Daarmee staat het land op de eerste plaats, maar ook Ethiopië, Uganda en Tanzania volgen hetzelfde pad. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan speelt zich een vergelijkbaar verhaal af, met Ecuador en Colombia als voornaamste productielanden voor de Amerikaanse markt.


Verbloemde werkelijkheid?

Hoe duurzaam zijn Keniaanse rozen? Verschillende wetenschappers rekenden uit dat de CO²-uitstoot van de Keniaanse rozenproductie, inclusief transport, vele malen lager ligt dan de uitstoot die nodig is om Hollandse serres te verwarmen. Maar Pat Thomas, journalist van The Ecologist, nuanceert deze stelling: “Enge CO²-berekeningen vertellen niet het hele verhaal. Om te beginnen moet je de hele levenscyclus van bloemen in rekening brengen, inclusief de fossiele energie verbruikt voor de teelt, de bemesting, de pesticiden en de koeling en ook methaanuitstoot bij het vergaan van oude bloemen. Daarnaast zijn er twee belangrijke elementen die je terecht doen twijfelen of een roos uit Kenia wel zo goed is voor het milieu, namelijk het gigantische verbruik van pesticiden en water.”

Om een roos tot bloei te krijgen moeten schimmels en bacteriën op afstand worden gehouden. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen ligt dan ook zeer hoog in de bloemenindustrie. Daar komt nog bij dat de wetgeving in Afrikaanse landen vaak achterloopt waardoor pesticiden worden gebruikt die in Europa al lang verboden zijn, zoals DDT en methylbromide. Omdat bloemen geen voedingsmiddelen zijn, worden ze minder streng gecontroleerd en bestaat er geen waterdicht systeem om die pesticiden te bannen. In Kenia en Ethiopië worden arbeidsters nauwelijks opgeleid om chemische middelen correct te gebruiken. De gezondheidsklachten zijn dan ook legio. Daarnaast verslindt de teelt van snijbloemen water. Kenia en Ethiopië staan niet bepaald bekend om hun grote watervoorraden, dus plaatst Pat Thomas nog meer vraagtekens bij de ecologische impact van een niet-eetbaar luxeproduct dat uitsluitend wordt geteeld voor export: “De Keniaanse bloementeelt situeert zich vooral rond Lake Naivasha in het zuidwesten van het land. Dit enorme zoetwatermeer is een vitale waterbron. Het is ook de thuis van nijlpaarden, flamingo’s en andere diersoorten. Sinds de komst van de bloementeelt steeg de bevolking van 6.000 naar 240.000. Het waterniveau van het meer is gehalveerd, het water is vervuild – door het pesticidegebruik en door het rioolwater van de stad Naivasha – en de biodiversiteit wordt bedreigd. Ook de bloemenindustrie beseft dat er iets moet gebeuren of de regio stevent af op een ecologische ramp.”


Sociale meerwaarde?

Bloemen zorgen voor veel werkgelegenheid. Maar daarmee is nog niets gezegd over de kwaliteit van die jobs. De Nederlandse ngo HIVOS die in 2013 de campagne Power of the Fair Trade Flower lanceerde, vat de talrijke onderzoeken en rapporten over de arbeidsomstandigheden in de bloemensector als volgt samen: “Jonge vrouwen verrichten het meeste werk op de flower farms. Zij zijn gewild omdat ze zorgvuldig te werk gaan, wat noodzakelijk is bij dit tere product. Maar vrouwen zijn vooral ook goedkope arbeidskrachten. Ze verrichten ongeschoold werk tegen een schamele verloning. Ze hebben geen of nauwelijks toegang tot kennis en scholing waardoor elk perspectief op ontplooiing ontbreekt. Van vaste aanstellingen is vaak geen sprake en de tijdelijke contracten maken hen extra kwetsbaar. Uitbuiting en seksueel misbruik komen veelvuldig voor. Hun gezondheid loopt bovendien gevaar door het onzorgvuldige gebruik van chemicaliën.”

Wanneer je naar de concrete gegevens kijkt, wordt het nog schrijnender: “Bazen vragen seksuele gunsten in ruil voor een contractverlenging of een dag vrij. Wie een tijdelijk contract heeft, verliest haar baan bij een zwangerschap. Vaste medewerkers wort gevraagd vakantiedagen op te nemen in plaats van zwangerschapsverlof. Maar vooral de gezondheidstoestand van vele arbeidsters is verontrustend: hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid zijn meer regel dan uitzondering. Miskramen komen ongewoon vaak voor. Beschermende kledij is te weinig voorhanden.” Lange werkdagen kunnen in het hoogseizoen oplopen tot 16 uur. De verloning die daartegenover staat, is laag. Het minimumloon in de agrarische sector in Kenia bedraagt
€ 1,25 per dag. In Tanzania is dat 0,96 eurocent, in Ethiopië nog lager. Oeganda kent helemaal geen minimumloon.


Wildgroei aan labels

Vele mensen binnen de sector beseffen dat het ondanks de moordende concurrentie anders moet. Al in 1999 nam de internationale koepelorganisatie van bloemenhandelaars het initiatief voor een wereldwijde standaard met sociale en ecologische criteria. Dat resulteerde in 2006 in het Europese consumentenlabel Fair Flower Fair Plants (FFP), beheerd door een stichting in Nederland. Het label brak echter niet door en wordt vooral gebruikt voor in Europa geteelde bloemen.
Daarnaast gebruikt men soms internationale business-to-business standaarden zoals MPS-ABC, GLOBALGAP en ETI, zijn er bloemen op de markt met het ecologische label EKO en pakken Britse supermarkten uit met eigen private labels. Ook in het Zuiden beseft men dat het imago moet worden opgekrikt, dus kwam de Kenya Flower Council met een Code of Practice en Asocolflores in Colombia met een Florverde standaard.

Om die wildgroei aan labels te stoppen en tegemoet te komen aan de vraag van ngo’s en consumenten naar meer ethiek in de keten pakte de sector begin 2013 uit met de lancering van het Floriculture Sustainability Initiative (FSI). Ook ngo’s werden bij het proces betrokken. Het doel is zeer ambitieus: FSI wil dat in 2020 90% van de internationaal verhandelde bloemen en potplanten uit duurzame teelt komen. Daarvoor wil het vooral de samenwerking binnen de sector vergroten zodat er een gemeenschappelijke visie komt op wat duurzaam is. Jeroen Oudheusden, FSI programmacoördinator: “Door de talrijke labels ziet niemand nog het bos door de bomen. Bedoeling is niet om nog een nieuw label te creëren, wel om een instrument op te stellen dat de verschillende labels naast elkaar zet zodat telers en handelaars eindelijk duidelijkheid krijgen. Het moet transparanter en gebaseerd op feiten. Daarnaast willen we vooral informatie delen rond best practices op vlak van watergebruik, pesticidegebruik, mensenrechten en milieuvriendelijk transport.”


Fairtradebloemen
De FLO-criteria voor de bloemensector bevatten onder meer de volgende punten
  • De oprichting van een joint body van werknemers en werkgever die beslist waaraan de fairtradepremie (10% bovenop de eindprijs) wordt besteed. Werknemers hebben hierbij een vetorecht en de premie moet worden gebruikt voor gemeenschapsontwikkeling en betere werkomstandigheden.
  • Verbod op gedwongen arbeid en kinderarbeid onder 15 jaar.
  • Het recht om zich te organiseren in vakbonden en om cao’s af te sluiten.
  • Lonen moeten minimaal het regionale gemiddelde of het wettelijk minimumloon bedragen.
  • Een hele reeks veiligheids- en gezondheidsmaatregelen die het gebruik van kunstmeststoffen en pesticiden moeten beperken.
 
Eerlijke bloemen

In 2001 polsten de Zwitserse grootwarenhuizen COOP en Migros bij Max Havelaar Zwitserland naar de mogelijkheden om fairtradebloemen op de markt te brengen. Fairtrade International (FLO) zette zich aan het werk en in 2004 schoven in Zwitserland de eerste Fairtrade-gelabelde ruikers over de toonbank. Intussen zijn meer dan 50 plantages gecertificeerd in 17 verschillende landen, vooral in Kenia, Tanzania en Ecuador. In België zijn deze eerlijke bloemen vooral terug te vinden in de supermarkten Delhaize en Carrefour.


Impact van fair trade

In 2012 publiceerde het Center for Evaluation (CEval) in opdracht van Zwitserse en Duitse FLO-leden een impactstudie rond eerlijke handel. Naast kleinschalige West-Afrikaanse cacaoboeren werden ook grootschalige Oost-Afrikaanse flower farms in de studie betrokken. Het eindrapport stelt dat de arbeidsomstandigheden op de fairtradeplantages beduidend beter zijn dan in de omringende bedrijven, vooral wat betreft gezondheid en veiligheid, training en gender. Terwijl in de sector minder dan 20% een vast contract heeft, is dat op gecertificeerde plantages 85%. De fairtradepremie wordt besteed aan projecten die zowel de arbeiders als de ruimere gemeenschap ten goede komen. Zo ging de premie bij Finlay Flowers in Kericho naar de opleiding van onderwijzers en naar schoolmateriaal.

Bij de Oserian Flower Farm vlakij Naivasha werd ze besteed aan een opleidingscentrum, een campagne tegen aids, een seminarie over huishoudelijk geweld en de aankoop van een bus. Ook de aandacht voor het milieuvraagstuk is groter op gecertificeerde plantages. Zo is men bij Longonot Farm in de regio van Naivasha actief bezig met recyclage van water en hydro-electriciteit. Bij het certificeren van verschillende plantages in Ethiopië werden onmiddellijk 90 van de 120 gebruikte chemicaliën verbannen.



Trade for Development Centre
februari 2014

Foto's
1. Ecuadoriaanse arbeidster in de bloemensector © Sean Garrison voor Fairtrade International
2. Beschermende kledij is nodig © Kenian Flower Farm Research Project
3.Ecuadoriaanse fairtraderoos © Didier Gentilhomme voor Fairtrade International

Bronnen
Pat Thomas, Behind the Label: cut flowers, 2009: www.theecologist.org/green_green_living/behind_the_label/302429/behind_t....
HIVOS, Position Paper Power of the Fair Trade Flower, 2013: www.powerofthefairtradeflower.nl.
Fair Flowers. The Journey of the Rose. People, planet, profit. Special 2013: www.p-plus.nl/resources/articlefiles/PHIVOSroses.pdf.
FFP: www.fairflowersfairplants.com
FSI (Floriculture Sustainability Initiative): www.fsi2020.com
FLO: www.fairtrade.net/flowers.html
Rapport CEval:
http://www.fairtrade.org.uk/press_office/press_releases_and_statements/f....
Kristina Gårdman, Fairtrade and Human Rights in the Kenyan Cut Flower Industry, Lunds universiteit, 2008: http://lup.lub.lu.se/luur/download?func=downloadFile&recordOId=1315678&f....
Bruno Leipold en Francesca Morgante, The Impact of the Flower Industry on Kenya’s Sustainable Development, International Public Policy Review, juni 2013:
http://www.ucl.ac.uk/ippr/journal/downloads/vol7no2/flowerindustry.  Zie ook kenyaflowerfarms.wordpress.com.
Nicky Caestecker, The impact of Fairtrade on social upgrading in the cut Flower Industry in Kenya, Universiteit Gent, 2012, http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/895/262/RUG01-001895262_2012_0001_....

dinsdag 21 januari 2014

Duurzaam toerisme om van te genieten

Met een omzet van 500 miljard dollar en 250 miljoen werknemers is de toeristische sector een van de belangrijkste economische activiteiten op deze planeet. Heel vaak zijn de inkomsten ongelijk verdeeld en lijdt het milieu zwaar onder die massale volksverhuizingen. Welk alternatief biedt ‘duurzaam toerisme’ en hoe verzoen je de drie klassieke P’s van duurzame ontwikkeling (people, planet, profit) met de P van pleasure?


Een sector met impact

Tot 1930 was toerisme louter weggelegd voor een select publiek. Met het invoeren van betaald verlof kreeg ook de ‘gewone werkmens’ geleidelijk aan de kans om te reizen. In 1950 telde men al 25 miljoen grensoverschrijdende reizen, in 1970 165 miljoen en in 2011 bijna een miljard. Voor 2020 voorspelt de World Tourism Organization (UNWTO) maar liefst 1,6 miljard internationale reizen. Vanzelfsprekend creëert deze exponentiële groei inkomsten en werkgelegenheid, niet alleen in het Noorden maar ook steeds meer in het Zuiden.

Voor ontwikkelingslanden liggen hier kansen. Zij kunnen vaak heel wat troeven op tafel leggen: zon en stranden, cultureel erfgoed en ongerepte natuur. In 20 van de 48 minst ontwikkelde landen is toerisme nu al de eerste of tweede bron van inkomsten. In sommige landen, vooral kleine eilandstaten, is toerisme zelfs goed voor een kwart van het BNP. Een pluspunt is dat de sector jobs creëert voor vrouwen, jongeren en laagopgeleiden. Een minpunt is dat het vooral de landen in het Noorden (hotelketens, luchtvaartmaatschappijen, touroperatoren) zijn die er het meest aan verdienen. Slechts een minderheid van de lokale bevolking kan er mee van profiteren. Daarnaast zijn de inkomsten uit toerisme onstabiel, een ecologische ramp of politieke spanningen kunnen de toeristen plots weghouden, waardoor investeringen verloren gaan.

Een destructieve sector
 
Veel hangt af van de manier waarop toerisme aangepakt wordt. Heel vaak betekent massatoerisme een ramp voor het milieu en is het een sector met weinig winnaars, veel verliezers en heel veel afhankelijkheid in de onderlinge relaties. “In meer dan 50 landen heb ik met eigen ogen gezien hoe destructief toerisme kan zijn”, zegt Marie-Paule Eskénazi, journaliste en oprichtster van Tourisme Autrement. Enkele cijfers op de website van de organisatie spreken boekdelen: “Een gemiddelde toerist in een zuiders land gebruikt 7 tot 10 keer meer water dan een lokale bewoner. In de Filippijnen kan je met het water gebruikt voor een golfterrein aan de dagelijkse noden van 15.000 inwoners van Manilla voldoen, of van 60.000 plattelandsbewoners. Tijdens een vlucht van een uur stoot één passagier meer CO² uit dan een inwoner van Bangladesh in een heel jaar. In Nepal verbruikt een toerist die de bergen intrekt ongeveer 6 kg hout per dag als verwarming, terwijl het land kreunt onder de erosie.”  Toerisme is niet het antwoord op het ontwikkelingsvraagstuk, maar kan wel een belangrijke bijdrage leveren”, concludeert de UNWTO.

Duurzaam toerisme

In het kielzog van de pleidooien voor duurzame ontwikkeling pleiten vele mensen en instanties al langer voor ‘duurzaam toerisme’. In 2004 werd het begrip gedefinieerd door de UNWTO: “Duurzaam toerisme neemt zijn huidige en toekomstige impact in rekening, zowel op economisch, sociaal als op milieuvlak, en beantwoordt aan de noden van de bezoekers, de industrie, de omgeving en de gastgemeenschappen”
Het model met de drie P’s van de discussies rond duurzame ontwikkeling doet ook hier dienst:
  • People: toerisme moet respect opbrengen voor de socio-culturele eigenheid van de gastgemeenschappen, voor hun cultureel erfgoed en hun traditionele waarden en moet bijdragen tot interculturele dialoog en wederzijds begrip.
  • Planet: toerisme mag gebruik maken van de natuurlijke rijkdom van een land, maar moet de ecologische processen in stand houden en het natuurlijke erfgoed en de biodiversiteit helpen bewaren.
  • Profit: toerisme moet voor een economische relatie zorgen op lange termijn, waarbij de socio-economische voordelen eerlijk verdeeld worden over alle betrokkenen. Dit veronderstelt voor de gastgemeenschappen stabiele werkgelegenheid en inkomsten die bijdragen tot armoedebestrijding.

Vierde P

Manu Minne, coördinator van ViaVia Tourism Academy vzw (onderdeel van Joker), ziet verschillende redenen waarom duurzaamheid in toerisme achterop loopt in vergelijking met andere sectoren: “Ten eerste is toerisme een complex en multidisciplinair gegeven, waarin economische activiteiten als bouw, voeding en transport samenkomen. Dat maakt het niet makkelijk. Bovendien is de sector zeer volatiel en primeert nog te vaak het kortetermijndenken. Maar een andere belangrijke reden is dat men heel lang over duurzaamheid gesproken heeft met een opgeheven vingertje. Wie duurzaam wil zijn moet een stuk van zijn welstand opofferen. Terwijl vakantie voor de meeste mensen net synoniem is met genieten.”

“Gelukkig is die retoriek aan het veranderen. Ik gebruik dan ook liever een model waarbij centraal tussen de drie P’s een vierde P wordt toegevoegd: die van pleasure. Niet in de enge betekenis van plezier, maar met een brede waaier van mogelijke emoties zoals blijheid, ontroering, confrontatie,… Zo creëer je een meerwaarde: pleasure voor de reiziger in de zin van beleving, pleasure voor de lokale gastheer in de zin van een respectvolle behandeling en waardig werk. Die vierde P mag gerust een toetssteen zijn voor de drie andere P’s. Hoe kan een ecologisch project de beleving van de toerist vergroten en tegelijk de inkomsten voor de lokale gemeenschap verhogen. Bekijk je het zo, dan kan duurzaamheid net een instrument worden voor innovatie.”

Lokaal ondernemerschap

Wat duurzaam toerisme concreet betekent, kan voor Manu Minne enkel binnen de lokale context ingevuld worden. Terwijl Tourisme Autrement zich vooral richt op het reizigerspubliek is ViaVia Tourism Academy ook in het Zuiden actief via het aanbieden van trainingen. “Aan lokale, kleine ondernemers leggen we uit wat Europese toeristen verwachten. Niet om dat als absolute vertrekpunt te nemen, maar om van daaruit samen na te denken hoe toerisme in hun context op een duurzame manier kan worden ingevuld.”

Tijdens trainingen raadt ViaVia Tourism Academy lokale ondernemers vaak aan om voorzichtig te investeren. Toerisme is onzeker. Het kan daarom slim zijn om het als bijberoep te zien en niet meteen als een hoofdactiviteit. Bovendien geeft een combinatie als landbouw-toerisme vaak meer mogelijkheden tot een authentieke beleving voor toeristen.

Travel 3.0

Een interessant gegeven is dat ook kleine ondernemers in het Zuiden steeds meer mogelijkheden hebben om rechtstreeks met potentiële klanten te communiceren. Vroeger lag het monopolie bij toeristische diensten en touroperators (Travel 1.0). Daarna kwamen de reizigers die elkaar informeren (Travel 2.0). Vandaag prijzen lokale ondernemers zichzelf aan via sociale media en internet (Travel 3.0).

Warm Heart Travels

Een mooi initiatief dat de 4P’s integreert is Warm Heart Travels, opgericht door een jonge lokale ondernemer in Malawi. Als kleinzoon van een dorpschef was hij voorbestemd om zijn grootvader op te volgen, maar zelf koos hij voor toerisme.  “We hebben samen bekeken hoe we zijn persoonlijk verhaal, zijn cultuur, zijn DNA zouden kunnen behouden binnen een toeristische onderneming” vertelt Manu Minne.

De families die in Malawi worden opgezocht, zijn geen traditionele stamleden in exotische kledij, maar gewone boeren die bereid zijn hun huis voor even te delen met bezoekers. De financiële bijdrage is vaak heel welkom om de kinderen naar school te sturen. Centrale activiteiten zijn de chef van het dorp bezoeken, samen koken en culturele verschillen ontdekken en leren begrijpen.

Ook een verblijf in Area 21, de township van de hoofdstad Lilongwe, behoort tot de mogelijkheden. Daar kan de toerist een school bezoeken, zijn haar laten doen in een kapperszaak of voetballen met de plaatselijke jeugd. Op die manier tracht Warm Heart Travels het verschil te maken tussen “een nice holiday en een lifetime experience”. Het bevorderen van contact ligt vaak in kleine dingen. Zo worden buitenlandse bezoekers met een paar zinnetjes in de lokale taal op een briefje naar de markt gestuurd om groenten te kopen voor hun gastvrouw. Voor de toerist is dat elke keer weer een belevenis, voor de lokale economie een opsteker en voor de gastvrouw een eerste stap om samen te koken.

Trees4Tours

In 2013 was ViaVia Tours, verbonden aan het ViaVia Traveler Café in Jogjakarta (Indonesië), een van de zes winnaars van de Wild Asia Responsible Tourism Award. Een greep uit de argumentatie die de jury aanhaalde om ViaVia Tours te selecteren leert wat duurzaam toerisme kan inhouden:

  • Laat zijn reizigers kennismaken met de oude Javaanse cultuur en hoe die vandaag versmelt met moderne waarden. Bereidt zijn reizigers voor op ontmoetingen, vertelt hen hoe zich te kleden en te gedragen en vraagt een bijdrage voor cultureel erfgoed.
  • Tijdens tours worden lokale producenten bezocht en worden de reizigers aangespoord om lokale producten te kopen.
  • Geeft de voorkeur aan kleine accommodaties en kennen de eigenaars persoonlijk, aan wie ze feedback vragen en waarmee ze duidelijke afspraken maken.
  • Geeft lessen over afval en milieu in de scholen van de dorpen waarmee ze  samenwerken.
  • Organiseert workshops en werkbezoeken voor studenten toerisme en voor jonge, lokale ondernemers over interculturele communicatie en over hoe een groep te gidsen.
  • Organiseert straatfestivals voor de buurt. Geeft ruimte aan lokale artiesten. Stelt zijn ruimte ter beschikking van lokale groepen.
  • Draagt bij aan noodhulp na aardbevingen en andere rampen.
  • Staf en medewerkers zijn voor 100% lokale mensen. Een aantal zijn doorgegroeid vanuit laaggeschoolde jobs. Promoot gendergelijkheid op de werkplek.
  • Biedt in zijn restaurant zoveel mogelijk lokale en biologische producten van lokale producenten. Geen palmolie. Geen GGO’s. Heeft een Fair Trade Shop met producten van achtergestelde groepen zoals straatkinderen.
  • Gebruikt zoveel mogelijk het openbaar vervoer tijdens tours. Compenseert de emissies van de verplaatsingen met het planten van bomen (Trees4Tours).

Eco-Benin

Een ander mooi voorbeeld is de ngo Eco-Benin. Via website, Facebook en YouTube een netwerk promoot van een tiental toeristische initiatieven verspreid over Benin. De organisatie biedt zowel trekkings door waardevolle natuurgebieden als ontmoetingen met lokale culturen. Telkens is het de lokale gemeenschap die instaat voor de opvang en de begeleiding van de toeristen. Daarvoor hebben ze in hun dorpen soms gîtes of lodges gebouwd, maar soms ook traditionele, ronde huisjes. In de Peulnederzetting in Alfakoare bijvoorbeeld leert de toerist in enkele dagen het vee te hoeden, de typische kaas te maken en te begrijpen wat schoonheid is voor de fiere Peul. Tussen 10 en 25% van de inkomsten gaat naar concrete projecten zoals scholen en latrines of naar de armste families binnen de gemeenschap. In 2011 werden 6322 toeristen verwelkomd.

Voor Eco-Benin is toerisme een manier om duurzame ontwikkeling op gang te brengen in regio’s waar de landbouw of de visserij in de verdrukking komen of waar de culturele of natuurlijke rijkdommen worden bedreigd. De ‘Eco’ in de naam probeert ze waar te maken met een CO2 actieplan en met activiteiten voor ecologische ontwikkeling zoals biologische landbouw, ecologische toiletten...
In het zuidoosten van Benin herstellen werkloze vissers de mangrove. Elke hectare mangrove is goed voor 200 ton geabsorbeerde CO2 per jaar. Reizigers kunnen als compensatie voor hun verplaatsingen mee wortelbomen planten. In het noorden van Benin, in de buurt van Pendjari nationaal park, staat de strijd tegen de oprukkende woestijn voorop. Eco-Benin promoot bij de dorpelingen het gebruik van verbeterde kookovens die tot 60% minder hout gebruiken wat de ontbossing vermindert en bijdraagt tot de vermindering van koolstofuitstoot. Deze ovens worden door lokale ambachtslui gemaakt.

Ecologische projecten die de beleving van de toerist vergroten en de inkomsten van de lokale gemeenschap verhogen. Een win-winsituatie. Of hoe duurzaamheid een instrument kan zijn voor innovatie in een bloeiende sector.


Foto's
1. Leren hoe een visnet in het meer te gooien © Eco-Benin
2. Koken met de gastvrouw @ Warm Heart Travels
3. Traditionele huisjes © Eco-Benin


Bronnen
UNWTO, project ‘Sustainable Tourism’: sdt.unwto.org
Tourisme Autrement: www.tourisme-autrement.be
ViaVia Tourism Academy: www.viaviatourismacademy.com
Warm Heart Travels, Malawi: www.warmhearttravels.com
Eco-Benin, Benin: www.ecobenin.org
ViaVia Tours Jogjakarta: www.viaviajogja.com

Dit is een artikel van het Trade for Development Centre (TDC).
Lees alle beschikbare artikels.
 

donderdag 16 januari 2014

Pionier in communautair toerisme: Ecuador

Weinig landen ter wereld kennen een grotere natuurlijke en culturele rijkdom dan Ecuador. Met het kwartet kust, sierra, amazone en Galapagos beschikt het land over vier ecosystemen met een enorme biodiversiteit. Een kwart van de bevolking is inheems met tradities die eeuwen teruggaan. Het groeiende zelfbewustzijn van die indígenas maakt van Ecuador een pionier in de ontwikkeling van communautair toerisme.
 
 
 
Van ecotoerisme...
Net als in de rest van Zuid-Amerika streken ook in Ecuador de eerste Amerikaanse en Europese toeristen neer in de jaren 70 en 80. De sector ontwikkelde zich hoofdzakelijk met buitenlands kapitaal. In het beste geval kregen de Ecuadorianen een slecht betaald baantje. In dezelfde periode nam de schaamteloze en verwoestende exploitatie van het Amazonegebied toe door buitenlandse olie- en houtbedrijven.
Met la Pachamama (moeder natuur) kan je ook anders omgaan. Vanuit die gedachte ontstonden begin jaren 90 de eerste projecten rond ecotoerisme, vaak met steun van Europese ngo’s. Het idee sloeg aan en ecolodges en ecotours schoten als paddestoelen uit de Ecuadoriaanse grond. Zelfs in die mate dat het voorvoegsel ‘eco’ voor vele reisorganisaties binnen en buiten Ecuador in de eerste plaats een marketingargument werd om toeristen te lokken.
De Asociación Ecuatoriana de Ecoturismo (ASEC) streed jarenlang tegen het misbruik van de term en kreeg de laatste jaren steeds meer steun van de Ecuadoriaanse overheid.

Ecuador
Omdat Ecuador de laatste jaren een aanzienlijke economische groei heeft gekend, staat het niet langer op de lijst van armste landen en behoort het nu tot de zogenaamde middeninkomenslanden. Het bruto binnenlands product per capita is inderdaad gestegen, maar de voordelen van de ontwikkeling blijven heel ongelijk verdeeld. 10% van de bevolking bezit 46% van het nationale inkomen. De armoede situeert zich vooral bij de inheemse bevolking op het platteland.
 
…naar communautair toerisme
In 1992 werd in heel Amerika de 500ste verjaardag gevierd van de ontdekking van het continent door Colombus. Maar in de inheemse gemeenschappen werd dat omgebogen tot een herdenking van ‘500 jaar inheems en volks verzet’. Tijdens een grote mars op Quito eisten ook de Ecuadoriaanse indianen meer rechten. Als antwoord op dit groeiende politieke bewustzijn van de indigenas begon de Ecuadoriaanse overheid met mondjesmaat projecten te financieren die de plattelandsgemeenschappen uit de armoede moesten halen. Daarbij dook al snel toerisme op als een economische activiteit met ontwikkelingspotentieel.  In 2009 noemde president Rafael Correa toerisme “de toekomst van het land, een industrie zonder schoorstenen”.
Een aantal indianengemeenschappen hebben daar niet op gewacht om het voortouw  te nemen. Als reactie op het arrogante en eigengereide optreden van grote reisorganisaties startten zij toeristische projecten in eigen beheer en met de financiële hulp van ngo’s. Een bekend voorbeeld is RICANCIE (Red Indígena de Comunidades del Alto Napo para la Convivencia Intercultural y Ecoturismo). Sinds 1993 bouwden deze kichwa-gemeenschappen stap voor stap aan de infrastructuur om zelf toeristen te ontvangen en hen te laten kennismaken met de rijkdom van het tropische woud en met hun cultuur. In 2005 verwelkomden zij hun 10.000ste bezoeker. Tweehonderd families verwierven zo een extra inkomen bovenop hun landbouwactiviteiten en de organisatie genereerde voldoende middelen om een school te bouwen en een groot stuk woud te beschermen.

In 2002 verenigden verschillende groepen zich in de Federación Plurinacional de Turismo Comunitario del Ecuador (FEPTCE) met als doel het communautair toerisme te verdedigen en te versterken. Dat leidde in 2004 tot de wettelijke erkenning van dit type toerisme, zowel door het Ecuadoriaanse Ministerie van Toerisme als door de World Tourism Organization die de pioniersrol van Ecuador prees. Na overleg tussen de FEPTCE en de Ecuadoriaanse overheid werden officiële criteria vastgelegd. Projecten moeten voortaan een aanvraag indienen vooraleer ze bezoekers mogen ontvangen. Regelmatig zijn er controles op hygiëne en andere aspecten van de onthaalinfrastructuur.
Wat maakt communautair toerisme – ook wel tourisme indigène of tourisme autochtone genoemd – zo specifiek? Voor het Franse tijdschrift Ecotourisme Magazine gaat het in de eerste plaats om een vorm van toerisme waarbij de lokale gemeenschappen zelf het onthaal van de toeristen beheren. Op die manier houden ze controle op de toeristische activiteiten die op hun territorium plaatsvinden en genereren ze inkomsten. De FEPTCE noemt communautair toerisme “een strategie voor een duurzame ontwikkeling met behoud van de eigen identiteit”.
De baseline van de organisatie is ‘para defender la vida de los pueblos’ (om het leven in onze dorpen te verdedigen). Communautair toerisme is voor hen een volwaardige economische activiteit, een combinatie van eco- en eerlijk toerisme die bijdraagt tot:
  • de organisatorische versterking van de gemeenschappen. Het is een sociale en solidaire economische activiteit die veel overleg en samenwerking vraagt. Er moet infrastructuur worden voorzien (kamers bij families of gîtes in de dorpen), er moet overlegd worden over de verdeling van de inkomsten, enz…
  • de bescherming van de natuurlijke rijkdommen. Het respect voor moeder aarde (la Pachamama) is diep geworteld bij de indiaanse gemeenschappen. Met een toeristisch project wordt het nog belangrijker om de natuur te behouden in plaats van ze te exploiteren. Leden van FEPTCE staan dan ook vaak vooraan in de strijd tegen mijnbedrijven of oliemaatschappijen. 
  • de versterking van hun culturele identiteit. Muziek, dans, gastronomie, spiritualiteit en andere culturele tradities herleven in de uitwisseling met de toeristen. FEPTCE spreekt dan ook over toerisme als een manier om hun manier van denken, doen en zijn te ‘dekoloniseren’.
 
 
Impact
Ondanks het grote enthousiasme erkent FEPTCE dat toeristische projecten ook fout kunnen aflopen, meestal omdat gemeenschappen zich halsoverkop in een toeristisch avontuur storten. Ze investeren zwaar in opvangcapaciteit, maar hebben van belangrijke aspecten als promotie weinig kaas gegeten.
Daarom startte de federatie een escuela de interaprendizaje, een school waar leden uit de verschillende projecten van elkaar kunnen leren. Ze studeren af als promotores de turismo comunitairio.

Javier Contreras is een Ecuadoriaan die werkzaam is in de sector van duurzaam toerisme in Frankrijk. Hij schat het aantal Ecuadoriaanse gemeenschappen actief in het communautair toerisme op 115. “Maar het niveau verschilt enorm. Sommige projecten zijn nog maar pas gestart, raken nauwelijks van de grond of draaien op een laag pitje. De reden is meestal dat ze buiten de klassieke toeristische routes liggen of dat ze capabele trekkers missen. Niet toevallig scoren de echte succesverhalen hoog op deze twee punten.”
 
 
Culturele revival
Opvallend is dat Contreras ook bij de succesverhalen de culturele impact hoger inschat dan de economische impact. Communautair toerisme zit ingebed in de revival van de inheemse beweging en heeft zeker bijgedragen tot het hervitaliseren van de indiaanse cultuur.
Julie Carpentier, een Franse doctoraatsstudente, die een aantal toeristische projecten in de Amazoneregio bestudeert, stelt vast dat de voortrekkers van de projecten vaak dertigers of veertigers zijn die gestudeerd of gereisd hebben. “Om de cultuur van hun dorp of gemeenschap aan de toeristen te kunnen tonen, moet de jongere generatie ‘in de leer’ gaan bij de ouderen. Op die manier zorgen toeristische projecten er voor dat gemeenschappen die uit elkaar dreigen te vallen (jongeren die naar de stad trekken, enkel nog Spaans praten, …) opnieuw een ‘project’ hebben om zich rond te verenigen.”

Contreras ziet echter ook pijnpunten in dit proces. “Van toeristen wordt verwacht dat ze openstaan voor de cultuur van de indígenas. Maar in hoeverre moeten de indígenas zich aanpassen aan de toerist, meer bepaald aan het beeld dat die toerist van hen heeft? Sommige gemeenschappen gaan daar zo ver in dat ze hun plastieken borden terug inruilen voor aardewerk. Wat ze tonen is vooral folklore. Maar cultuur is geen statisch gegeven, cultuur evolueert. Ze moeten een evenwicht vinden tussen behoud en vooruitgang, tussen folklore en respect.”

Julie Carpentier werpt nog een andere belangrijke vraag op. Communautair toerisme wordt vaak gepresenteerd als een ontwikkelingsmodel in handen van de gemeenschappen zelf, maar die onafhankelijkheid is in de praktijk zeer relatief. Er moeten immers middelen gevonden worden om te investeren. Vroeger kwamen die vaak van ngo’s, vandaag ook van de overheid.
Daarnaast staat of valt een project met de komst van toeristen, wat vaak afhankelijkheid betekent van reisorganisaties en touroperators. Omwille van die precaire economische basis worden in de Amazoneregio toeristische projecten ook gesponsord door… oliemaatschappijen. Voor hen is het een handige manier om goodwill te creëren voor hun aanwezigheid in de regio. Al zijn er ook tegenvoorbeelden. Zo heeft de gemeenschap van Sarayaku zijn toeristisch project volledig in het teken gezet van zijn felle strijd tegen de vervuiling van het woud door het Franse Agip en andere oliemaatschappijen.
 
Met Belgische steun
De Belgische ontwikkelingssamenwerking is actief in Ecuador sinds 1977. In 2006 werd een langlopend samenwerkingsprogramma ondertekend waarbij de focus ligt op plattelandsontwikkeling: PdRN of Programa de Desarrollo Rural del Norte (Programma voor plattelandsontwikkeling van het Noorden). In nauwe samenwerking met nationale en provinciale overheden steunt het Belgisch ontwikkelingsagentschap (BTC) projecten in het noorden van het land waaronder een tiental initiatieven in communautair toerisme. Concreet gaat het om de financiering van onthaalinfrastructuur bij de opstart, de kwaliteitsverbetering van de aangeboden diensten en activiteiten of het versterken van lokale organisaties om aan alle wettelijke procedures te voldoen.
Eén van de organisaties die via het PdRN gesteund wordt, is Runa Tupari, een voortrekker van het communautair toerisme in de provincie Imbabura. Sinds 2001 geeft de organisatie uit de toeristische regio Otavalo-Cotacachi bezoekers de kans bij lokale families te verblijven. Dit zorgt niet alleen voor extra inkomsten voor de inheemse families, maar ook voor het opwaarderen van de natuurlijke en de culturele rijkdom van de regio. In 2012 verbleven 1740 toeristen één of meerdere dagen bij een inheemse familie.


Het aanbod van Runa Tupari
Behalve het verblijf in een inheemse gastfamilie biedt de organisatie een brede waaier aan activiteiten: wandelen of mountainbiken in de bergen, meerdaagse trekkings met tent, vulkanen beklimmen, de beroemde artisanaatsmarkt van Otavalo bezoeken, condors en andere vogels spotten, paardrijden, de gastfamilie helpen met hun dagelijkse activiteiten, workshops en initiaties in artisanale ambachten volgen, fairtrade- en biologische landbouwprojecten bezoeken, kennismaken met de spiritualiteit en cosmovisie van de indígenas, medicinale planten en het werk van sjamanen ontdekken en deelnemen aan riten en feesten.

Behalve tours en activiteiten organiseert Runa Tupari ook programma’s waarbij buitenlandse toeristen een korte of lange periode ‘meewerken’ in een school, een natuurbeheerproject, fairtradelandbouw, enz… Groepen kunnen ook deelnemen aan een traditionele minga. Dit zijn een aantal dagen van collectieve arbeid waaraan de hele gemeenschap participeert.
Ook sommige ngo’s zien in communautair toerisme een hefboom voor plattelandsontwikkeling. Zo organiseert Mouvement d’Actions à Travers-Monde (MATM) in nauwe samenwerking met haar partner UPOCAM reizen of langere verblijven in Ecuador. UPOCAM is de unie van boerenorganisaties in de kustprovincie Manabi. Steeds meer lidorganisaties bekijken welke toeristische troeven ze kunnen uitspelen en hoe ze dat best aanpakken.
 
 
Vele Ecuadoriaanse families koesteren de hoop dat communautair toerisme hen kan helpen het platteland een toekomst te geven. Hopelijk zijn in de volgende jaren voldoende toeristen bereid dat pad te volgen. 
 
 
Foto's
1. Het meer van Cuicocha is een van de mooiste van Ecuador  © Runa Tupari 
2. Toeriste en gastvrouw samen aan de slag © Runa Tupari

 
Bronnen
ASEC:
www.ecoturismo.org.ec, www.amigosdelasaps.org
RICANCIE: ricancie.nativeweb.org
FEPTCE:
www.feptce.org, www.facebook.com/feptce
Ecotourisme Magazine: www.ecotourisme-magazine.com
Interview met Javier Contreras: blog.via-sapiens.com/une-experience-de-tourisme-communautaire
Julie Carpentier, Tourisme communautaire, conflits internes et développement local, verschenen in Bulletin de l’Institut Français d’Études Andines / 2011, 40 (2): 349-373; te downloaden via
http://www.ifeanet.org/publicaciones/boletines/40(2)/349.pdf
BTC-projecten: www.btcctb.org/nl/news/turismo-comunitario-para-mejor-vivir
Runa Tupari: www.runatupari.com
MATM: www.matm-belgique.org
UPOCAM: www.upocam.org/index.php/turismo-mainmenu-26
Dit is een artikel van het Trade for Development Centre.
Al onze artikels zijn gratis te downloaden op www.befair.be.

 

 

maandag 13 januari 2014

Meer ethiek in de cacaoketen tegen 2020?

In 2000 berichtten de media uitgebreid over kinderarbeid en massale armoede op de cacaoplantages in West-Afrika. De publieke verontwaardiging was enorm. De chocolade-industrie beloofde daarop 100% eerlijk of duurzaam gecertificeerde cacao tegen 2020. Zal dit ook echt een stap vooruit betekenen voor de cacaoboeren?

Cacaocijfers
Drie kwart van de wereldwijde cacaoproductie situeert zich in West-Afrika, waarvan 59% in Ivoorkust en Ghana. Het overgrote deel komt van kleinschalige plantages en is de enige bron van inkomsten van 5,5 miljoen boerenfamilies. De gemiddelde leeftijd van een West-Afrikaanse cacaoboer ligt rond de 50 jaar. De jongere generatie haakt af. “Niet onlogisch”, stelt de Cacaobarometer 2012, een rapport van acht Europese ngo’s verenigd in VOICE: “Het inkomen van een cacaoboer ligt mijlenver onder elke armoedegrens. In Ghana zou een boer meer dan 3 keer zoveel moeten verdienen om de officiële armoedegrens van $1,25/dag te halen. In Ivoorkust meer dan 16 keer.” De West-Afrikaanse boer ziet maar een fractie van de cacaoprijs. Het grootste deel gaat naar de keten van opkopers en verwerkers.
De vraag naar cacao stijgt. De uitdagingen voor de hele cacao-industrie zijn gigantisch groot. Hoe kan de productie verhogen? En hoe kan men de vergrijzing onder de cacaoboeren tegengaan?


Kindslaven
Op vele plaatsen in de wereld is het niet ongewoon dat kinderen meewerken om het gezinsinkomen te verhogen, maar op de West-Afrikaanse cacaoplantages zijn de toestanden vaak schrijnend. Kinderen jonger dan 12 moeten zware lasten dragen en met machetes werken. Malinese of Burkinabese kinderen worden op de plantages verkocht als werkslaven.
De grote verontwaardiging hierover leidde ertoe dat de vertegenwoordigers van de cacao- en chocolade-industrie in 2001 het Harkin-Engel-protocol (genoemd naar twee Amerikaanse politici die streden tegen kinderarbeid) ondertekenden. Daarin engageerden ze zich om de ergste vormen van kinderarbeid uit de keten te bannen. Ook de regeringen van Ghana en Ivoorkust werden onder druk gezet. Het protocol voorzag in een systeem van publieke  certificatie op basis van voortgangsrapporten. In 2011 bracht diepgaand onderzoek in opdracht van de Amerikaanse overheid  aan het licht dat nog geen enkele doelstelling van het protocol reeds volledig was gehaald.


De industrie in de verdediging
De industrie argumenteerde dat ze al meer dan 75 miljoen dollar investeerde in de Nationale Actieplannen van Ghana en Ivoorkust, in het International Cocoa Initiative (ICI), in de World Cocoa Foundation (WCF) en in eigen programma’s. Daarnaast stelde ze dat het gedurende lange tijd bijna onmogelijk was om te weten waar hun cacao vandaan kwam: te veel kleine boeren, te veel tussenhandelaars en te veel smokkel. De grote chocolademakers (Mars, Nestlé, Hershey, Mondelez en Ferrero) schoven geregeld de zwarte piet door naar de cacaoverwerkers (Cargill, ADM, Barry Callebaut).

Dit argument gaat steeds minder op. In Ghana controleert de overheid de handel steeds beter via lokale opkoopstations. Boeren verenigen zich meer en meer in coöperaties en ook de verwerkers zijn sterker verankerd in beide landen door er verwerkingseenheden te bouwen. De mogelijkheden om de cacao te traceren worden groter.

International Cocoa Initiative
Het ICI werd opgericht als antwoord op het Harkin-Engel protocol. Met geld van de industrie zet de organisatie tal van sensibiliseringsprojecten op in Ghana en Ivoorkust om boeren te ontmoedigen hun kinderen in te zetten.
World Cocoa Foundation
De WCF is een stichting waarin alle grote cacaoverwerkers en chocolademakers vertegenwoordigd zijn. Ze zet projecten op om boeren te trainen en de productiviteit in de cacaoteelt te verhogen.


Certificatie
De bedrijven besloten daarop hun verdediging over een andere boeg te gooien en te gaan voor certificering. Cadbury (vandaag onderdeel van Mondelez) was de eerste om gecertificeerde cacao aan te bieden,  en Mars beloofde 100% gecertificeerde chocoladeproducten tegen 2020. Ferrero, Nestlé en Hershey volgden. Ook grote Europese retailers zoals Ahold, Sainsbury’s en Carrefour zetten steeds meer in op gecertificeerde producten en verhogen zo de druk.
Op enkele jaren tijd is het aanbod gecertificeerde cacao dan ook spectaculair gestegen. De industrie doet beroep op drie systemen: het ‘eerlijke’ label Fairtrade Max Havelaar en de ‘duurzame’ labels Rainforest Alliance en Utz Certified.

Bij alle drie moet de herkomst van elke zak cacao te traceren zijn en zijn een reeks sociale en milieucriteria van kracht. Het Fairtrade-label is strenger en bestaat al langer, maar is in volume ruim voorbijgestoken door de twee jongere concurrenten.

FLO
FLO beheert sinds 1988 het belangrijkste internationale keurmerk voor eerlijke handel. In België kennen we het onder de naam Fairtrade Max Havelaar. In tegenstelling tot Rainforest Alliance en Utz Certified garandeert dit eerlijk label een minimumprijs aan de producentenorganisaties.
Rainforest Alliance
Rainforest Alliance is een Amerikaanse ngo die gestart is vanuit de bescherming van milieu en biodiversiteit. Later volgde de certificering van duurzaam geteelde producten. De klemtoon ligt op ecologische aspecten. Het eerste cacaoprogramma startte in 1997, gecertificeerde chocolade volgde in 2007.
Utz Certified
Utz Certified werd gecreëerd op initiatief van een koffieproducent uit Guatemala en een Nederlandse koffiebrander De ngo nam sinds 2002 een hoge vlucht en maakte ook de overstap naar cacao. Utz Certified focust op de traceerbaarheid van de ketens en de verhoging van de productiviteit.


Stand van zaken
Intussen heeft elk groot chocoladebedrijf programma’s lopen in West-Afrika met het oog op duurzame cacao en certificering. Barry Callebaut werkt sinds 2010 nauw samen met Biopartenaire in Ivoorkust. De organisatie geeft in 300 dorpen opleidingen aan boeren en volgt de cacaobonen van het veld tot de haven. Sinds kort heeft deze joint venture de Utz Certified-  en Rainforest Alliance-certificering. Mars werkt samen met de drie certificeringsystemen. In Ivoorkust doet het bedrijf beroep op het Child Labor Monitoring System van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). Hun duurzaamheidprogramma Vision for Change focust op opleiding voor boeren, beter plantmateriaal en moderne landbouwtechnieken. Nestlé belooft in zijn Nestlé Cocoa Plan om tegen 2020 90 miljoen euro te investeren, 42 scholen te bouwen, jaarlijks 20.000 boeren op te leiden en 12 miljoen resistente cacaoplanten te verdelen die meer opbrengen.

Amerikaanse activisten richten hun pijlen  vooral op Hershey, een van de grootste chocoladeproducenten in Noord-Amerika. Zo hekelen ze het Cocoa Link-programma van de WCF waar Hershey en andere bedrijven in stapten: dit programma beperkt zich tot het versturen van sms-berichten naar boeren om betere landbouwtechnieken te promoten en kinderarbeid te ontraden.


Impact van duurzame labels?
De impact van de bedrijfsprogramma’s en de cacaocertificering door Utz Certified en Rainforest Alliance is nog weinig onderzocht door onafhankelijke instanties.
VOICE wil er werk van maken in zijn volgende Cacaobarometer. Uit het huidige rapport blijkt alvast dat de focus te eenzijdig ligt op productiviteitsverhoging, terwijl dat niet de enige verklaring is voor de armoede. Er is de instabiliteit van de wereldmarktprijs, de erg kleine vergoeding voor de cacaoboeren, de haperende toegang tot krediet  en het gebrek aan lokale infrastructuur. Het netwerk stelt  zich de vraag of een verhoging van de inkomsten door een betere oogst opweegt tegen de kostenverhoging (beter plantmateriaal, meer meststoffen, meer pesticiden).
François Ruf, economist bij de Franse ngo CIRAD, deed samen met andere specialisten onderzoek bij 160 Ivoriaanse cacaoplantages, waarvan de helft door Rainforest Alliance gecertificeerd. De resultaten tonen aan dat de verschillen beperkt zijn. Erger zelfs, de certificatie heeft soms zelfs perverse effecten wanneer ze wordt toegepast op plantages die tropisch hout kappen, en zo dus eigenlijk de massale ontbossing legitimeren.
Een van de doelstellingen van Rainforest Alliance is om de kwaliteit van de cacao te verbeteren. Op dit vlak is een duidelijk beleid van de overheid vaak efficiënter dan certificering. "Sinds de politieke hervorming in 2012 wordt de prijs bepaald en gecontroleerd door de staat waardoor exporteurs niet langer de mogelijkheid hebben om de cacaoprijs te laten afhangen van de kwaliteit. Het is te nemen of te laten. De reactie van de boeren laat niet lang op zich wachten: om de kwaliteit te garanderen, sorteren ze de cacao nu en laten ze de bonen volledig drogen.
In vergelijking met de dure dispositief van de certificering is deze maatregel van de overheid een meer doorslaggevende en elegante oplossing om de kwaliteit te verbeteren (...) Bijgevolg is er anno 2012/2013 niet veel verschil meer op vlak van kwaliteit tussen gecertificeerde en niet-gecertificeerde cacao.

"Rainforest Alliance zou haar communicatie moeten afstemmen op wat het is en dat is een systeem dat in eerste instantie gericht is op productiviteit, onder de vorm van een rendement per hectare (een vraag van de industrie), met de rechtvaardiging dat het systeem vermoedelijk de inkomsten van de boeren verbetert." Voor het extra werk dat ze leveren om aan de certificering te voldoen, ontvangen de producenten een premie die schommelt tussen CFA 30 à 50 per kilo (5 à 8 eurocentiemen). Dat bedrag is relatief klein, maar wordt uitgekeerd op een moment dat de productie op een laag pitje staat en de boeren geld nodig hebben.

Reactie Rainforest Alliance
Na interpellatie van het Franse magazine Terra Eco gaf Edward Millard, directeur van het cacaoprogramma van Rainforest Alliance Onderzoek, toe dat "de certificering van Rainforest Alliance (...) in Ivoorkust nog moet verbeteren. Maar we boeken vooruitgang.
Uit een onafhankelijke studie van de Committee on Sustainability Assessment (COSA) in 2012 bleek dat de productiviteit op gecertificeerde Ivoriaanse plantages in 2012 op 576 kg/ha lag tegenover 334 kg/ha op de niet-gecertificeerde. De studie toonde ook sociale voordelen aan zoals betere schoolresultaten bij de zonen van gecertificeerde boeren (...) Dit systeem is een echte stimulans om te investeren in de opleiding van boeren en het beleid van coöperaties."


Het voordeel van fair trade
Een studie van KPMG over de kosten, voor- en nadelen van cacaocertificeringen concludeerde dat producenten verenigd in coöperaties en dus over een betere onderhandelingspositie beschikken tegenover aankopers meer voordeel halen uit een certificering.
Fair trade werkt uitsluitend met georganiseerde producenten en maakt zo dus echt een verschil. Naast een ontwikkelingspremie garandeert fair trade ook een minimumprijs voor de cacao. Die dekt niet alleen de productie- en certificeringskosten, maar laat de families van de producenten toe te voorzien in hun elementaire behoeften. Dankzij die economische stabiliteit kunnen de producenten investeren in hun toekomst.


Is er hoop op meer ethiek in de cacaoketen tegen 2020? Op www.shady-chocolate.com, de website van de Deense journalist Miki Mistrati bekend van de reportage “The Dark side of Chocolate”, zegt een vertegenwoordiger van Nestlé: “Onze aandacht voor deze problemen zou ik niet nieuw noemen, maar is wel een prioriteit geworden sinds de digitalisering alles veel korter bij de consument brengt.”

Misschien kan de  dynamiek tussen consumenten, ngo’s, media, politiek en industrie bijdragen tot een duurzamere cacaoketen?



Een artikel van Trade for Development Centre, oktober 2013
Meer artikels te vinden op www.befair.be

Foto-onderschriften
1. Cacao gebruiken om voor school te betalen © Gates Foundation
2. De kinderen van gecertificeerde boeren krijgen betere scholing © Nestlé
3. Kinderen helpen met de oogst na school @ Bread for the World
Bronnen
VOICE : www.cocoabarometer.org (gepubliceerd in november 2012)
Miki Mistrati:
www.thedarksideofchocolate.org, www.shady-chocolate.com
International Cocoa Initiative: www.cocoainitiative.org
World Cocoa Foundation: www.worldcocoafoundation.org
FLO : www.fairtrade.net
Rainforest Alliance : www.rainforest-alliance.org
Utz : www.utzcertified.org
CIRAD : www.cirad.fr
François Ruf, Youssoupha N’Dao et Sylvaine Lemeilleur, Certification du cacao, stratégie à hauts risques, Inter-réseaux Développement rural : www.inter-reseaux.org/IMG/pdf/Certification_du_cacao_Ruf_juin2013.pdf
Terra eco, Chocolat : des labels à côté de la plaque, 23 juin 2013 : www.terraeco.net/Chocolat-des-labels-a-cote-de-la,50290.html
KPMG, Cocoa Certification. Study on the costs, advantages and disadvantages of cocoa certification, commanditée par l’Organisation Internationle du cacao (ICCO), oktober 2012.



woensdag 8 januari 2014

Het definitieve rapport van FLA over Apple en Foxcon verdoezelt slechte werkomstandigheden in China — Good Electronics

Van goodelectronics.org
"De Fair Labor Association (FLA) heeft haar verificatie bij Apple-leverancier Foxconn afgerond. In de derde en laatste "Foxconn Verification Status Report" uitgebracht op 12 december 2013, beweert FLA dat 98,9 procent van de door FLA voorgestelde corrigerende maatregelen met succes zijn geïmplementeerd. Op het eerste gezicht lijken Apple en Foxconn er dus in te slagen om hun beloftes over betere arbeidsomstandigheden, gemaakt in januari 2012 toen Apple zich aansloot bij FLA, na te komen. In feite zijn er een paar verbeteringen op vlak van veiligheid en gezondheid getroffen en is er een lichte daling van het aantal werkuren gerealiseerd. Het rapport van FLA laat echter enkele cruciale aspecten achterwege. GoodElectronics en makeITfair uiten hun brzorgdheid in een gezamenlijke verklaring." Lees meer

Gisele Bündchen wordt lid van Raad van Bestuur Rainforest Alliance


Gisele BundchenRainforest Alliance kondigt de benoeming aan van internationale supermodel, ondernemer en milieuactivist Gisele Bündchen in haar Raad van Bestuur. In haar rol als bestuurslid zal Bündchen meewerken aan de visie, de strategische plannen en het beleid die de leidraad zijn voor de ontwikkeling en wereldwijde inspanningen op vlak van duurzaamheid van de organisatie. 
 
"Ik bewonder het werk van Rainforest Alliance en de positieve impact op het milieu al een hele tijd. Haar missie ligt helemaal in lijn met mijn eigen jarenlange inzet voor het milieu, "aldus Bündchen.
 

Naar duurzame palmolie? Een controversieel verhaal

De afgelopen decennia is palmolie gestaag opgeklommen tot de belangrijkste plantaardige olie wereldwijd. Deze evolutie heeft geleid tot grote ongerustheid bij artsen. Minstens even groot is de ongerustheid bij ngo’s en milieu-activisten: om ruimte te maken voor palmolieplantages wordt al jarenlang aan een verschrikkelijk tempo tropisch bos gekapt. Is een duurzame teelt van het oranje goud mogelijk?
 
Les fruits du palmier à huile © World Bank Photo Collection
 
 
Succesverhaal
Palmolie wordt gewonnen uit het vruchtvlees van oliepalmvruchten. Vlak voor de raffinage heeft het een feloranje kleur, vandaar de bijnaam. De reden voor het gigantisch succes van palmolie moet niet ver gezocht worden. De productiviteit per hectare ligt vele malen hoger dan bij andere plantaardige oliën. In vergelijking met soja, koolzaad of andere alternatieven heb je dus heel wat minder grond nodig. Bovendien is palmolie bestand tegen hoge temperaturen en geeft het voedingsmiddelen een zachte smaak, waardoor het een zeer interessant ingrediënt is voor de voedingsindustrie.
 
Het resultaat zie je in de supermarkt: een enorm aantal producten, van voeding tot cosmetica, bevat palmolie. Voorlopig staat dit nog niet op het etiket, maar in Europa zal dit vanaf december 2014 veranderen. De huidige algemene term ‘plantaardige olie’ moet dan specifieker, een wijziging die vooral is ingegeven door het gezondheidsargument. Sinds oktober 2013 raadt de Belgische Hoge Gezondheidsraad aan om het gebruik van palmolie te beperken wegens te veel verzadigde vetzuren. Desondanks is palmolie intussen big business geworden. De productie situeert zich grotendeels in twee landen, Maleisië en Indonesië, al is ook in Afrika de opmars bezig. Men verwacht de volgende jaren een gestage groei van de vraag, in de eerste plaats omwille van de bevolkingstoename in China en India.
 

Ingepalmd
Vroeger was de hout- en papierindustrie de voornaamste oorzaak voor de ontbossing in Indonesië, vandaag komt die bedenkelijke eer toe aan oliepalmplantages.
De gevolgen zijn catastrofaal. Het regenwoud is immers cruciaal, enerzijds voor het vasthouden van CO², anderzijds als habitat van verschillende planten- en diersoorten die met uitsterven zijn bedreigd. Ook veenmoerassen worden langzaam ‘ingepalmd’. Daarnaast vergt de oliepalmteelt enorme hoeveelheden water, wat in combinatie met meststoffen en pesticiden tot contaminatie en vissterfte leidt. Tot slot is er ook een sociale keerzijde: inheemse woudbewoners moeten wijken en mensenrechten worden op grote schaal geschonden.


Ronde tafel
De problematiek is verre van nieuw. Om tegemoet te komen aan de publieke verontwaardiging werd reeds in 2004 de Round Table for Sustainable Palm Oil (RSPO) opgericht door een aantal planters, producenten, verwerkers, investeerders en ngo’s (waaronder WWF en Oxfam). In 2005 werd een gedragscode met 8 principes en 39 criteria vastgelegd die leidde tot een label voor duurzame palmolie. De eerste lading gecertificeerde olie kwam in 2008 Europa binnengevaren.

Kritische stemmen zoals Greenpeace vonden het hele RSPO-verhaal niet meer dan greenwashing, maar het initiatief bleek wel aan te slaan. In 2010 werd in Jakarta het 25.000ste familiale landbouwbedrijf gecertificeerd en ook grote retailers en verwerkers zagen lidmaatschap als een ideale manier om hun bezorgdheid voor het milieu te bewijzen. Kellogg’s, Unilever, Carrefour, Mondelez, Nestlé en co beloofden intussen allemaal voor 100% duurzame palmolie te gaan. Maar zover is het nog lang niet.


GreenPalm
Elke planter kan zijn plantage laten controleren en certificeren volgens de RSPO-criteria. Het is verderop in de keten dat het schoentje wringt. De keten van palmolie is zo complex dat het heel moeilijk en vooral heel duur is om duurzaam geproduceerde olie te scheiden van gewone. Omdat RSPO daarop dreigde vast te lopen, ging een van de leden (het Britse olieverwerkende bedrijf AarhusKarlshamn) op zoek naar oplossingen. Dat resulteerde in GreenPalm Certification. Volgens Bob Norman, voorzitter van GreenPalm, is dat de enige manier om geleidelijk de hele palmolie-industrie van binnenuit te veranderen: “Het is belangrijk dat duurzame palmolie niet enkel voorbehouden blijft voor grote bedrijven die een gescheiden verwerking kunnen betalen en dat producenten aangespoord worden om hun productie te verduurzamen.”
 
RSPO certificering
RSPO voorziet in vier niveaus van certificatie:
  • Book and Claim (beheerd door GreenPalm): de planter krijgt een certificaat voor elke ton olie die volgens de RSPO-criteria geteeld is en plaatst die op de virtuele GreenPalm Market. Bedrijven kunnen dit certificaat kopen en hun product als duurzaam labelen (zonder dat de gecertificeerde olie er effectief in zit). De planter kan zijn premie gebruiken om zijn productie verder te verduurzamen.
  • Mass balance: conventionele en duurzame olie kunnen met elkaar vermengd worden.
  • Segregated: de gecertificeerde olie is volledig gescheiden in de hele keten, een garantie dat de palmolie in het product effectief uit gecertificeerde plantages komt.
  • Identity preserved: er is een volledige traceerbaarheid naar de oorspronkelijke plantage.
In 2012 was 72 % van de RSPO-gecertificeerde palmolie verhandeld als Book and Claim.
 
Plantation à Papoea_Indonésie © CIFOR
 
RSPO in het oog van de storm
Dat ngo’s kritisch zouden zijn voor Book and Claim-certificaties, was te verwachten. Maar RSPO had de afgelopen jaren ook andere katten te geselen.
Het regende immers klachten over conflicten en mensenrechtenschendingen in nieuw ontgonnen palmoliegebieden. Belangrijke RSPO-criteria werden regelmatig overtreden, zoals het verbod op ontginning van primair bos met een hoog biodiversiteitsgehalte (high conservation value areas) of de verplichting om plannen voor nieuwe plantages aan te kondigen en de lokale bevolking erbij te betrekken. Zo konden de bulldozers van de Borneo Surya Mining Joaya gewoon hun gang gaan, ondanks een hele reeks klachten. Het RSPO-secretariaat slaagt er zelden in om adequaat te reageren.

Het Indonesische Duta Palma, een notoire woudverwoester, is het enige bedrijf met de bedenkelijke eer om in mei 2013 na een jarenlange klachtenstroom uitgesloten te worden van RSPO-lidmaatschap.
Mede onder druk van de aanzwellende kritiek werd binnen RSPO dan ook hevig gedebatteerd over de aanscherping van een aantal criteria en procedures. De nieuwe tekst, goedgekeurd in april 2013, bevat enkele nieuwe criteria, zoals de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen op nieuwe beplantingen en richtlijnen rond ethische handelspraktijken, mensenrechten en het verbannen van gedwongen arbeid. Maar de roep van vele leden, wetenschappers en ngo’s, om het verbod op het kappen van primaire bossen uit te breiden naar secundaire bossen en veengebieden en om het gebruik van schadelijke pesticiden volledig te verbieden, werden niet opgenomen.
 
Palmolie en de klimaatopwarming
In tegenstelling tot palmolieplantages slaan tropische bossen enorme hoeveelheden koolstof op. Wanneer het woud wordt gekapt of in vlammen opgaat, komen die broeikasgassen vrij. Dit geldt nog veel meer voor veenmoerassen. Hoewel zij slechts 3 % van het aardoppervlak beslaan, houden ze enorme hoeveelheden koolstof vast. De vernietiging van de Indonesische veenmoerassen is de belangrijkste oorzaak waarom het land na China en de VS op plaats drie staat voor CO²-uitstoot. Hoewel het in Indonesië verboden is veenmoerassen dieper dan 3 meter te draineren, lapt de industrie deze wet geregeld aan zijn laars.
 
Greenpeace
Het zal niemand verbazen dat Greenpeace in zijn recente rapport Certifying Destruction erg kritisch blijft voor RSPO. An Lambrechts, internationaal politiek coördinator van de campagne voor het Indonesische regenwoud, legt uit: “Greenpeace is nooit RSPO-lid geweest en zal dat ook niet snel worden. Daarvoor zijn de criteria fundamenteel te zwak. Ook bij de recente herziening is er enkel sprake van vrijwillige richtlijnen voor de uitstoot van broeikasgassen en is er geen volledig verbod op de ontginning van veengronden. Bovendien is RSPO-certificatie geen garantie op palmolie zonder boskap. Bedrijven kunnen een RSPO-label krijgen voor één gecertificeerde plantage om zich vervolgens achter dat certificaat te verstoppen en elders gewoon verder te doen. Het concrete plan dat ze moeten voorleggen voor de rest wordt nauwelijks opgevolgd.
 
In oktober 2012 publiceerde Greenpeace een rating van de duurzaamheidinspanningen van de elf grootste palmolieproducenten ter wereld. Slechts één bedrijf, het Braziliaanse Agropalma, leverde daadwerkelijk inspanningen om regenwouden en veengronden te beschermen. "Wat RSPO in de weegschaal legt, volstaat niet om de link tussen palmolie en ontbossing door te knippen.”
 
 
WWF
Als een van de mede-oprichters van RSPO volgt WWF een andere strategie. Sabien Leemans van WWF-België: “RSPO is het enige initiatief dat de hele industrie samenbrengt. Omdat het onze ambitie is heel de sector richting duurzame productie te duwen, blijven we rond de tafel zitten. Natuurlijk hadden we meer verwacht van de herziening. Een volledige ban op plantages in veengebieden of op het gebruik van gevaarlijke pesticiden – punten die wij op tafel gelegd hebben – is er niet gekomen. Maar we denken dat de nieuwe criteria, hoewel voorlopig niet overal dwingend, wel de kiemen in zich dragen om veranderingen teweeg te brengen.”

Adam Harrison, onderhandelaar voor WWF-Internationaal vult aan: “Daarom hebben we ook zo aangedrongen op het publiek rapporteren van de uitstootgegevens via een uniform Palm Greenhouse Gas Tool. Op die manier zal duidelijk worden dat het ontginnen van veengebieden de cijfers rood doet kleuren en zullen bedrijven, aangespoord door investeerders, politici of consumenten, inzien dat ze moeten evolueren naar low carbon palm oil. Hetzelfde geldt voor de traceerbaarheid. Nu wordt op grote schaal olie van verschillende bronnen vermengd. Het WWF-voorstel voor een ‘zorgvuldigheidssysteem’  (due diligence) bleek niet haalbaar, maar de verplichting voor raffinaderijen om de oorsprong van olie te registreren is een eerste stap.”
 
 
Nieuwe coalities
Waar Greenpeace en WWF elkaar wel vinden, is in het aanprijzen van goede voorbeelden. Bedrijven die verder gaan dan RSPO kunnen immers de eerste dominostenen zijn op weg naar een duurzame palmolieproductie. Zo ontstond de Palm Oil Innovation Group (POIG), een coalitie van ngo’s met Agropalma (Brazilië), New Britain Palm Oil Limited (Brits, met plantages in Papoea-Nieuw-Guinea), Daabon (Colombia) en GAR (Indonesië). In een gezamenlijke verklaring daterend van juni 2013 stellen zij zichzelf voor als innovators. Ze willen verder gaan dan RSPO op drie essentiële terreinen: ecologie (geen nieuwe ontbossing meer, veengebieden ontzien, pesticidegebruik verminderen…), samenwerking met lokale gemeenschappen en ‘integriteit’ (transparantie, traceerbaarheid…). An Lambrechts: “We hopen in de praktijk te kunnen aantonen dat meer ambitieuze standaarden de link tussen palmolie en ontbossing wel degelijk kunnen breken.”

In maart 2013 stuurde Greenpeace alvast een persbericht de wereld in om een proefproject van GAR te verwelkomen. De pilootfase in West-Kalimantan (Indonesië) moet de aanzet worden voor een algemeen bedrijfsbeleid waarbij bos- en veengebieden met hoge koolstofstocks gevrijwaard blijven. Lokale boeren die deze gebieden ontzien worden gecompenseerd. Met de overheid wordt bekeken welke andere gronden wel kunnen worden vrijgegeven.
Een oplossing die daarbij steeds vaker naar voor wordt geschoven is het aanplanten van nieuwe oliepalmen op bodems die reeds lang geleden ontbost zijn. Op basis van onderzoek in Kalimantan toonde een WWF-studie aan dat goede teelt- en oogsttechnieken vaak belangrijker zijn voor de opbrengst dan de bodemkwaliteit. Plantages op gedegradeerde bodems zouden zo economisch rendabel kunnen zijn. In Indonesië maar zeker in Brazilië liggen miljoenen hectare land die in aanmerking zouden kunnen komen.
 
 
Duurzame palmolie
“Voorlopers die oplossingen zoeken, zijn heel belangrijk”, vat Sabien Leemans de huidige situatie samen. “Maar het is even belangrijk dat kopers van palmolie aangezet worden om de stap te zetten naar RSPO-gecertificeerde olie met een fysiek gescheiden aanvoer (segregated / identity preserved). Momenteel blijft dat de enige optie voor duurzame palmolie.”
 
Al is er recent wel een nieuwe, voorlopig kleine, speler actief op het terrein van palmoliecertificatie, namelijk de Amerikaanse ngo Rainforest Alliance. Hun standaarden voor duurzame landbouw gaan een eind verder dan RSPO en net zoals voor koffie, cacao en andere gewassen willen zij het aanbod vergroten aan duurzame, volledig traceerbare palmolie. Het Colombiaanse Daabon was in 2012 het eerste bedrijf dat zijn palmolie met een groene kikker mocht tooien.
 
Foto's
1. De vruchten van de oliepalm © World Bank Photo Collection
2. Plantage in Papoea, Indonesië © CIFOR
 
Bronnen