In 2007 riep de Britse minister van Internationale
Samenwerking Hilary Benn consumenten op om Nederlandse bloemen geteeld
in serres links te laten liggen en Keniaanse rozen te kopen. Zijn
argumenten: beter voor het milieu en goed voor de werkgelegenheid en de
ontwikkelingskansen van het land. Maar klopt dat wel? Hoe duurzaam zijn
geteelde bloemen uit het Zuiden en hoe kwalitatief zijn de
werkomstandigheden? En waar staat fair trade in dit verhaal?

Delokalisatie
“Nederland
bloemenland”, het is een uitspraak die nog maar gedeeltelijk klopt.
Twee derde van de Europese handel in sierteeltgewassen verloopt nog
steeds via Nederlandse bloemenveilingen, goed voor een omzet die in de
miljarden loopt. Maar de bloemen zelf komen sinds de jaren 90 steeds
vaker uit Oost-Afrika. Zo importeerden onze noorderburen in 2010 drie
miljard rozen uit Kenia, grotendeels bestemd voor export naar de rest
van Europa.
Landen in de buurt van de evenaar hebben sterke troeven
in handen voor de teelt van snijbloemen: twaalf uur zonlicht per dag,
genoeg regen en ideale temperaturen. Tel daar de lage arbeidskost en de
beschikbaarheid van moderne transportmiddelen bij en je begrijpt waarom
het economisch winstgevend is om vandaag bloemen te laten plukken op een
Keniaanse flower farm en ze overmorgen te verkopen in een bloemenwinkel
7.000 km daarvandaan.
Koploper Kenia
Hilary
Benn heeft alleszins een punt als je kijkt hoe belangrijk de
bloemenindustrie is geworden voor de Oost-Afrikaanse economieën.
Jarenlang kende de sector in Kenia een groei van 20%. Vandaag maken
bloemen meer dan 10% uit van de totale export, goed voor een tweede
plaats na koploper thee. Tienduizenden jonge vrouwen zijn werkzaam op
bloemenplantages, honderdduizenden zijn indirect afhankelijk van de
sector. Daarmee staat het land op de eerste plaats, maar ook Ethiopië,
Uganda en Tanzania volgen hetzelfde pad. Aan de andere kant van de
Atlantische Oceaan speelt zich een vergelijkbaar verhaal af, met Ecuador
en Colombia als voornaamste productielanden voor de Amerikaanse markt.
Verbloemde werkelijkheid?
Hoe
duurzaam zijn Keniaanse rozen? Verschillende wetenschappers rekenden
uit dat de CO²-uitstoot van de Keniaanse rozenproductie, inclusief
transport, vele malen lager ligt dan de uitstoot die nodig is om
Hollandse serres te verwarmen. Maar Pat Thomas, journalist van The
Ecologist, nuanceert deze stelling: “Enge CO²-berekeningen vertellen
niet het hele verhaal. Om te beginnen moet je de hele levenscyclus van
bloemen in rekening brengen, inclusief de fossiele energie verbruikt
voor de teelt, de bemesting, de pesticiden en de koeling en ook
methaanuitstoot bij het vergaan van oude bloemen. Daarnaast zijn er twee
belangrijke elementen die je terecht doen twijfelen of een roos uit
Kenia wel zo goed is voor het milieu, namelijk het gigantische verbruik
van pesticiden en water.”
Om een roos tot bloei te krijgen moeten
schimmels en bacteriën op afstand worden gehouden. Het gebruik van
chemische bestrijdingsmiddelen ligt dan ook zeer hoog in de
bloemenindustrie. Daar komt nog bij dat de wetgeving in Afrikaanse
landen vaak achterloopt waardoor pesticiden worden gebruikt die in
Europa al lang verboden zijn, zoals DDT en methylbromide. Omdat bloemen
geen voedingsmiddelen zijn, worden ze minder streng gecontroleerd en
bestaat er geen waterdicht systeem om die pesticiden te bannen. In Kenia
en Ethiopië worden arbeidsters nauwelijks opgeleid om chemische
middelen correct te gebruiken. De gezondheidsklachten zijn dan ook
legio. Daarnaast verslindt de teelt van snijbloemen water. Kenia en
Ethiopië staan niet bepaald bekend om hun grote watervoorraden, dus
plaatst Pat Thomas nog meer vraagtekens bij de ecologische impact van
een niet-eetbaar luxeproduct dat uitsluitend wordt geteeld voor export:
“De Keniaanse bloementeelt situeert zich vooral rond Lake Naivasha in
het zuidwesten van het land. Dit enorme zoetwatermeer is een vitale
waterbron. Het is ook de thuis van nijlpaarden, flamingo’s en andere
diersoorten. Sinds de komst van de bloementeelt steeg de bevolking van
6.000 naar 240.000. Het waterniveau van het meer is gehalveerd, het
water is vervuild – door het pesticidegebruik en door het rioolwater van
de stad Naivasha – en de biodiversiteit wordt bedreigd. Ook de
bloemenindustrie beseft dat er iets moet gebeuren of de regio stevent af
op een ecologische ramp.”
Sociale meerwaarde?
Bloemen zorge

n
voor veel werkgelegenheid. Maar daarmee is nog niets gezegd over de
kwaliteit van die jobs. De Nederlandse ngo HIVOS die in 2013 de campagne
Power of the Fair Trade Flower lanceerde, vat de talrijke onderzoeken
en rapporten over de arbeidsomstandigheden in de bloemensector als volgt
samen: “Jonge vrouwen verrichten het meeste werk op de flower farms.
Zij zijn gewild omdat ze zorgvuldig te werk gaan, wat noodzakelijk is
bij dit tere product. Maar vrouwen zijn vooral ook goedkope
arbeidskrachten. Ze verrichten ongeschoold werk tegen een schamele
verloning. Ze hebben geen of nauwelijks toegang tot kennis en scholing
waardoor elk perspectief op ontplooiing ontbreekt. Van vaste
aanstellingen is vaak geen sprake en de tijdelijke contracten maken hen
extra kwetsbaar. Uitbuiting en seksueel misbruik komen veelvuldig voor.
Hun gezondheid loopt bovendien gevaar door het onzorgvuldige gebruik van
chemicaliën.”
Wanneer je naar de concrete gegevens kijkt, wordt
het nog schrijnender: “Bazen vragen seksuele gunsten in ruil voor een
contractverlenging of een dag vrij. Wie een tijdelijk contract heeft,
verliest haar baan bij een zwangerschap. Vaste medewerkers wort gevraagd
vakantiedagen op te nemen in plaats van zwangerschapsverlof. Maar
vooral de gezondheidstoestand van vele arbeidsters is verontrustend:
hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid zijn meer regel dan
uitzondering. Miskramen komen ongewoon vaak voor. Beschermende kledij is
te weinig voorhanden.” Lange werkdagen kunnen in het hoogseizoen
oplopen tot 16 uur. De verloning die daartegenover staat, is laag. Het
minimumloon in de agrarische sector in Kenia bedraagt
€ 1,25 per dag. In Tanzania is dat 0,96 eurocent, in Ethiopië nog lager. Oeganda kent helemaal geen minimumloon.
Wildgroei aan labels
Vele
mensen binnen de sector beseffen dat het ondanks de moordende
concurrentie anders moet. Al in 1999 nam de internationale
koepelorganisatie van bloemenhandelaars het initiatief voor een
wereldwijde standaard met sociale en ecologische criteria. Dat
resulteerde in 2006 in het Europese consumentenlabel Fair Flower Fair
Plants (FFP), beheerd door een stichting in Nederland. Het label brak
echter niet door en wordt vooral gebruikt voor in Europa geteelde
bloemen.
Daarnaast gebruikt men soms internationale
business-to-business standaarden zoals MPS-ABC, GLOBALGAP en ETI, zijn
er bloemen op de markt met het ecologische label EKO en pakken Britse
supermarkten uit met eigen private labels. Ook in het Zuiden beseft men
dat het imago moet worden opgekrikt, dus kwam de Kenya Flower Council
met een Code of Practice en Asocolflores in Colombia met een Florverde
standaard.
Om die wildgroei aan labels te stoppen en tegemoet te
komen aan de vraag van ngo’s en consumenten naar meer ethiek in de keten
pakte de sector begin 2013 uit met de lancering van het Floriculture
Sustainability Initiative (FSI). Ook ngo’s werden bij het proces
betrokken. Het doel is zeer ambitieus: FSI wil dat in 2020 90% van de
internationaal verhandelde bloemen en potplanten uit duurzame teelt
komen. Daarvoor wil het vooral de samenwerking binnen de sector
vergroten zodat er een gemeenschappelijke visie komt op wat duurzaam is.
Jeroen Oudheusden, FSI programmacoördinator: “Door de talrijke labels
ziet niemand nog het bos door de bomen. Bedoeling is niet om nog een
nieuw label te creëren, wel om een instrument op te stellen dat de
verschillende labels naast elkaar zet zodat telers en handelaars
eindelijk duidelijkheid krijgen. Het moet transparanter en gebaseerd op
feiten. Daarnaast willen we vooral informatie delen rond best practices
op vlak van watergebruik, pesticidegebruik, mensenrechten en
milieuvriendelijk transport.”
Fairtradebloemen
De FLO-criteria voor de bloemensector bevatten onder meer de volgende punten
- De oprichting van een joint body van werknemers en werkgever die beslist waaraan de fairtradepremie (10% bovenop de eindprijs) wordt besteed. Werknemers hebben hierbij een vetorecht en de premie moet worden gebruikt voor gemeenschapsontwikkeling en betere werkomstandigheden.
- Verbod op gedwongen arbeid en kinderarbeid onder 15 jaar.
- Het recht om zich te organiseren in vakbonden en om cao’s af te sluiten.
- Lonen moeten minimaal het regionale gemiddelde of het wettelijk minimumloon bedragen.
- Een hele reeks veiligheids- en gezondheidsmaatregelen die het gebruik van kunstmeststoffen en pesticiden moeten beperken.
Eerlijke bloemen
In
2001 polsten de Zwitserse grootwarenhuizen COOP en Migros bij Max
Havelaar Zwitserland naar de mogelijkheden om fairtradebloemen op de
markt te brengen. Fairtrade International (FLO) zette zich aan het werk
en in 2004 schoven in Zwitserland de eerste Fairtrade-gelabelde ruikers
over de toonbank. Intussen zijn meer dan 50 plantages gecertificeerd in
17 verschillende landen, vooral in Kenia, Tanzania en Ecuador. In België
zijn deze eerlijke bloemen vooral terug te vinden in de supermarkten
Delhaize en Carrefour.
Impact van fair trade
In
2012 publiceerde het Center for Evaluation (CEval) in opdracht van
Zwitserse en Duitse FLO-leden een impactstudie rond eerlijke handel.
Naast kleinschalige West-Afrikaanse cacaoboeren werden ook grootschalige
Oost-Afrikaanse flower farms in de studie betrokken. Het eindrapport
stelt dat de arbeidsomstandigheden op de fairtradeplantages beduidend
beter zijn dan in de omringende bedrijven, vooral wat betreft gezondheid
en veiligheid, training en gender. Terwijl in de sector minder dan 20%
een vast contract heeft, is dat op gecertificeerde plantages 85%. De
fairtradepremie wordt besteed aan projecten die zowel de arbeiders als
de ruimere gemeenschap ten goede komen. Zo ging de premie bij Finlay
Flowers in Kericho naar de opleiding van onderwijzers en naar
schoolmateriaal.
Bij de Oserian Flower Farm vlakij Naivasha werd
ze besteed aan een opleidingscentrum, een campagne tegen aids, een
seminarie over huishoudelijk geweld en de aankoop van een bus. Ook de
aandacht voor het milieuvraagstuk is groter op gecertificeerde
plantages. Zo is men bij Longonot Farm in de regio van Naivasha actief
bezig met recyclage van water en hydro-electriciteit. Bij het
certificeren van verschillende plantages in Ethiopië werden onmiddellijk
90 van de 120 gebruikte chemicaliën verbannen.
Trade for Development Centre
februari 2014
Foto's
1. Ecuadoriaanse arbeidster in de bloemensector © Sean Garrison voor Fairtrade International
2. Beschermende kledij is nodig © Kenian Flower Farm Research Project
3.Ecuadoriaanse fairtraderoos © Didier Gentilhomme voor Fairtrade International
Bronnen
Pat Thomas, Behind the Label: cut flowers, 2009:
www.theecologist.org/green_green_living/behind_the_label/302429/behind_t....
HIVOS, Position Paper Power of the Fair Trade Flower, 2013:
www.powerofthefairtradeflower.nl.
Fair Flowers. The Journey of the Rose. People, planet, profit. Special 2013:
www.p-plus.nl/resources/articlefiles/PHIVOSroses.pdf.
FFP:
www.fairflowersfairplants.com
FSI (Floriculture Sustainability Initiative):
www.fsi2020.com
FLO:
www.fairtrade.net/flowers.html
Rapport CEval:
http://www.fairtrade.org.uk/press_office/press_releases_and_statements/f....
Kristina Gårdman, Fairtrade and Human Rights in the Kenyan Cut Flower Industry, Lunds universiteit, 2008:
http://lup.lub.lu.se/luur/download?func=downloadFile&recordOId=1315678&f....
Bruno
Leipold en Francesca Morgante, The Impact of the Flower Industry on
Kenya’s Sustainable Development, International Public Policy Review,
juni 2013:
http://www.ucl.ac.uk/ippr/journal/downloads/vol7no2/flowerindustry. Zie ook kenyaflowerfarms.wordpress.com.
Nicky Caestecker, The impact of Fairtrade on social upgrading in the cut Flower Industry in Kenya, Universiteit Gent, 2012,
http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/895/262/RUG01-001895262_2012_0001_....